Leviticus 3

1 En indien zijn offer een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht des HEEREN. 2 En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en zal ze slachten voor de deur van de …

Leviticus 2

1 Als nu een ziel een offerande van spijsoffer den HEERE zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. 2 En hij zal het brengen tot de zonen van Aaron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen …

Leviticus 1

1 En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen. …

Kolossenzen 4

1 Gij heren, doet uw dienstknechten recht en gelijk, wetende, dat ook gij een Heere hebt in de hemelen. 2 Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging; 3 Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de …

Kolossenzen 3

1 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. 2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in …

Kolossenzen 2

1 Want ik wil, dat gij weet, hoe groten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien; 2 Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat …

Kolossenzen 1

1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheus, de broeder, 2 Den heiligen en gelovige broederen in Christus, die te Kolosse zijn: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. 3 Wij danken den God en Vader van …

Klaagliederen 5

1 Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan. 2 Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders. 3 Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen. 4 Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt …

Klaagliederen 4

1 Aleph. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen! 2 Beth. De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen …

Klaagliederen 3

1 Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid. 2 Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. 3 Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd. 4 Beth. …