Job 37

1 Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats. 2 Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat! 3 Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde. 4 Daarna brult Hij met …

Job 36

1 Elihu ging nog voort, en zeide: 2 Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn. 3 Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen. 4 Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is …

Job 35

1 Elihu antwoordde verder, en zeide: 2 Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods? 3 Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde? 4 Ik zal u antwoord geven, en …

Job 34

1 Verder antwoordde Elihu, en zeide: 2 Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij. 3 Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt. 4 Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is. …

Job 33

1 En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore. 2 Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. 3 Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken. 4 De Geest …

Job 32

1 Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was. 2 Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God. …

Job 31

1 Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd? 2 Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten? 3 Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers …

Job 30

1 Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen. 2 Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan. 3 Die door gebrek en honger eenzaam …

Job 29

1 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: 2 Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde! 3 Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; 4 Gelijk …

Job 28

1 Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. 2 Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten. 3 Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der …