1 Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij. 2 Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering? 3 Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde. 4 Want …
Job 18
1 Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide: 2 Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken. 3 Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen? 4 O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn …
Job 19
1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? 3 Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij. 4 Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij …
Job 4
1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide: 2 Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden? 3 Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt; 4 Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende …
Job 20
1 Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide: 2 Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij. 3 Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden. 4 Weet gij dit? Van altoos af, …
Job 21
1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen. 3 Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan. 4 Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest …
Jesaja 56
1 Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden. 2 Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, …