Job 33

1 En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore. 2 Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. 3 Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken. 4 De Geest …

Job 32

1 Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was. 2 Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God. …

Job 31

1 Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd? 2 Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten? 3 Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers …

Job 30

1 Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen. 2 Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan. 3 Die door gebrek en honger eenzaam …

Job 29

1 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: 2 Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde! 3 Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; 4 Gelijk …

Job 28

1 Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. 2 Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten. 3 Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der …

Job 27

1 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: 2 Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan! 3 Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus; 4 …

Job 26

1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is? 3 Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt? 4 Aan wien hebt gij die …

Job 25

1 Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide: 2 Heerschappij en vreze zijn bij Hem, Hij maakt vrede in Zijn hoogten. 3 Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op? 4 Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij …

Job 24

1 Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien? 2 Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze. 3 Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand. 4 …